|
Hoewel niet precies
vaststaat wanneer de naam 'Broek' voor het eerst opduikt, is wel bekend
dat er al vóór de achtste eeuw v.Chr. in dit gebied mensen woonden. Het
ging om groepen van een paar families bij elkaar, op een aantal
plaatsen. Daarna is er een 'witte plek' in de geschiedenis. Het
eerstvolgende teken van leven Vormen de sporen van bewoning uit de
vijfde eeuw v.Chr.
De plek waar de bebouwing verrees - de huidige Hoofdstraat, Zesstedenweg en P.J. Jongstraat - was de enige waar in het gebied gebouwd kon worden. De ondergrond van die strook bestaat uit een zandrug. Aan beide kanten daarvan lag moerasgebied. Dat is pas toegankelijk geworden toen de bewoners in de 15e eeuw geleidelijk aan met ontginning en ontwatering begonnen. In 1289 veroverde graaf Floris de Vijfde Westfriesland, waaronder dus ook de banne Broek. Een 'banne' was een gebied waarin bepaalde rechtsregels golden. Omdat de Westfriezen bekend stonden als nogal lastig en dwars, liet Floris ze wat ruimte voor eigen regels.
Met Floris V begon de
kerstening en daarmee ook de geschiedschrijving. Die kerstening, zo
blijkt uit archiefmateriaal, verliep moeizaam. Noordelijk van
Grootebroek was een vesting van monniken, afkomstig uit het Friese
Hemelum. Zij hadden veel invloed op de Grootebroeker gemeenschap.
De zee vormde een permanente dreiging voor de bewoners van het gebied. Stormen veroorzaakten herhaaldelijk overstromingen, die alles vernielden wat er was opgebouwd. Toen in 1170 het zoute zeewater weer eens was doorgedrongen tot in Westfriesland bleek de Gouw, een belangrijk viswater, zout te zijn. Toen brak het besef door dat men de handen ineen moest slaan. Dat leidde tot de aanleg van de West-Friese Omringdijk, die sinds de dertiende eeuw het gebied binnen de lijn Alkmaar, Schagen, Medemblik, Enkhuizen en Hoorn droog houdt.
In 1364 kregen
Grootebroek en Bovenkarspel gezamenlijk van Hertog Albrecht van Beieren
stadsrechten en het recht om een jaarmarkt te houden. Dat kan worden
gezien als de start van de stede Broek. Het bestuur kwam in handen van
schepenen; acht uit Grootebroek, zes uit Bovenkarspel. Zij werden
geassisteerd door de schout, een soort politiefunctionaris. In 1402
sloot Lutjebroek zich aan, een jaar later Hoogkarspel. Het aantal
schepenen werd uitgebreid met vier uit Hoogkarspel en twee uit
Lutjebroek. Bijna 400 jaar later, in 1786, meldde Andijk zich als vijfde
partner. Grootebroek beschikte over een schutterij. Dat blijkt uit een akte die Jan van Beieren op 2 maart 1424 opstelde en waarin hij de waag met toebehoren aan de schutters schonk. In 1415 zijn er gilden, zo blijkt uit documenten: het Silvestergilde en het Klerkengilde.
De boeren in de stede Broek waren geen horigen, zoals in veel andere streken, maar vrije mensen. Na de ontginningen, die in de 15e eeuw begonnen, werd het moerassige gebied beter te bewerken. Dat leidde tot een redelijk welvarende boerenstand. Ook de binnenvisserij kon een aardig inkomen opleveren. Nadat de Broekerhaven was aangelegd, zochten vermetele Broekers de zee op om handel te drijven. Ook daaraan werd goed verdiend. In de 15- eeuw speelde
het Sint Elisabeth-klooster in Grootebroek een belangrijke rol. De
zusters, aanhangsters van de moderne devotie, leefden in armoede. Ze
voorzagen in hun onderhoud door het weven van stoffen, maar produceerden
niet meer dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud; zij
wilden het toenmalige bedrijfsleven geen concurrentie aandoen.
In 1448 besloot Filips van Bourgondië dat Broek de zeedijk mocht doorgraven; ze moesten zich daarbij wel houden aan de voorwaarden die de dijkgraaf en de heemraden stelden. Na veel getouwtrek en tegenwerking van Hoorn, Medemblik en Enkhuizen was de zaak op 30 juli 1449 rond: er kon gegraven worden. De Broekerhaven, bestaand uit een buiten- en een binnenhaven, werd kort daarna in gebruik genomen. De binnenhaven werd -en wordt- De Kolk genoemd. In de geschiedenis van de stede Broek in de 15e eeuw valt de slechte verstandhouding met Enkhuizen op. Het was de Enkhuizers misschien een doorn in het oog dat Broek stadsrechten had en dus niet beschouwd kon worden als agrarisch achterland van Enkhuizen. Ook jaloezie van de Broekers kan eraan ten grondslag hebben gelegen; Enkhuizen was in die tijd een welvarende stad.
De Broekers kregen in
1415 het recht om een haven aan te leggen. Enkhuizen deed z'n uiterste
best de totstandkoming ervan te dwarsbomen. De strijd tussen Jacoba van
Beieren en Philips van Bourgondië -de Hoekse en Kabeljauwse Twisten-
leidde tot nog meer verdeeldheid: Broek steunde Jacoba, Enkhuizen
Philips.
De weg van Hoorn naar Enkhuizen Aan het eind van de 16e eeuw was er al een weg van Hoorn naar Enkhuizen, dwars door de stede Broek. Het-was een pad van klei met hier en daar wat zand. Het laat zich raden wat dat betekende in perioden met veel regen. Bovendien gooide iedereen z'n afval op 'straat'; stank en rommel dus. Er kwam nog bij dat de overgangen over de vele sloten onbetrouwbaar en bij tijd en wijle zelfs gevaarlijk waren. Hoorn en Enkhuizen
onderhielden intensieve contacten en wilden een betere verbinding. Er
werd gefilosofeerd over een trekvaart, maar daar zag men vanaf omdat 't
een geweldige ingreep zou betekenen in de kwetsbare waterhuishouding van
de streek. Het stadsbestuur van de
stede Broek heeft bij de plannenmakerij nog behoorlijk dwars gelegen. De
ontwerpers wilden bomen langs de weg, maar daar was Broek't niet mee
eens. Waarvoor ze bang waren is niet duidelijk. Pas toen Enkhuizen
dreigde dat de weg helemaal niet door zou gaan als de Broekers bleven
tegenstribbelen, gingen ze door de knieën. In 1671 was de straatweg
tussen Hoorn en Enkhuizen klaar. Er zijn lyrische beschrijvingen bewaard
gebleven over dit prachtig ogende staaltje van vernuft. Later ( +/-1885 -1915 ) is er een verbinding tot stand gekomen d.m.v. de paardetram. In lutjebroek was een remise, waar verschillende punten samen kwamen, een soort centraal station. Daarna kwam de stoomtrein en daaropvolgend de gewone spoorverbinding.
Er waren twee stations, die ook nu nog bestaan, al is het in een modernere form. Station "Bovenkarspel-Grootebroek" en "Florahalte". Deze laatste was vroeger de stopplaats "Broekerhaven".
In de nacht van 6 op 7 november 1675 breekt de dijk door bij Schardam. Er volgt een grote watersnood. Drechterland en de Vier Noorderkoggen staan onder het zoute water. De zware storm heeft een stuk wierdijk weggerukt ten noorden van Schardam. Ook de binnendijk, de Zwaagdijk, breekt door. Veel mensen en dieren verdrinken. Als het dijkgat na enkele weken is gedicht, volgt er een nieuwe storm van 4 tot 6 december. De pas herstelde dijk begeeft het weer, evenals de binnendijken de Zwaagdijk en de Oudendijk. West-Friesland staat tot Enkhuizen toe onder water. Pas in 1676 kan het gat in de zeedijk bij Schardam worden gedicht en kunnen de molens beginnen te draaien om het water weg te malen.
In 1694 trof de volgende ramp de stede Broek: een grote brand in Grootebroek. Met de toen gebruikelijke manier van blussen -men gaf elkaar vanaf de sloot eninierijes water door- was er geen houden aan, vooral ook omdat de huizen dicht op elkaar stonden. Veertig huizen gingen verloren en het plaveisel van de straatweg, de trots van de stad, had zwaar te lijden.
De Broekers zagen geen kans geld bijeen te brengen om deze nieuwe ramp het hoofd te bieden. De vindingrijke pastoor van het Lutjebroeker schuilkerkje lanceerde het plan om in andere delen van het land een collecte te houden. Twee ondernemende Lutjebroekers gingen op pad met een aanbeveling van het stadsbestuur. Ze kwamen terug met 125.000 gulden! Daarmee konden de getroffenen worden geholpen. De volgende slag trof Broek in 1698: de oogst mislukte. De bevolking leed honger. In 1740 dompelde een extreem koude winter de Broekers in ellende. Er was gebrek aan alles. De mensen verkochten hun kostbaarheden om aan warme kleding en brandstof te komen. In 1744 en 1745 sloeg de veepest toe en ging de helft van de veestapel verloren. In 1750 werd Grootebroek
voor een groot deel door brand verwoest, in 1763 trof hetzelfde lot
Lutjebroek. Ook nu toog men op pad om, met hartverscheurende verhalen
over slachtoffers van de brand die in plaggenhutten huisden, mensen
elders in het land tot gulheid te bewegen. Het leverde bijna 35.000
gulden op. In de Franse tijd rond
1800 kwam het einde van de stede Broek in zicht. Als gevolg van
onderlinge meningsverschillen werd de stede in 1825 ontbonden,
Grootebroek en Lutjebroek bleven bij elkaar. De band met Bovenkarspel
bleef, zij het moeizaam, in stand. Schuitenlift aan de Broekerhaven In 1448 keurde men dat goed en zo begon men op 30 juli 1449 met doorgraven van de zeedijk om de haven aan te leggen.De haven bestaat uit een binnen- en buitenhaven. Beroemd in Broekerhaven is de Overhaal; mogelijk was er zo'n aanhaal ook al bij de haven nadat de aanleg was voltooid, dit om het niveauverschil tussen de Zuiderzee en het water in de polder te overbruggen. Bij de haven groeide naast de gewone bedrijvigheid ook een woonkern, deze kern kreeg dezelfde naam als de haven.
Lang werd het als eigen kern beschouwd en de woonkern viel ook buiten de stad. Bij het uit elkaar vallen de stad in diverse gemeenten in 1807 werd Broekerhaven onderdeel van de gemeente Bovenkarspel, zelfs zo dat het onderdeel werd van het dorp Bovenkarspel. Broekhaven bleef wel lang toch een wat eigen wat losliggende buurt. Maar tegen het eind van de twintigste eeuw maakte de wijk Plan Zuid, in de polder tussen Broekerhaven en Bovenkarspel, daar een einde aan en sindsdien liggen de twee zo goed als aan elkaar vast gebouwd. De gemeente Bovenkarspel was toen al opgegaan in de gemeente Stede Broec. Een overtoom, een overhaal, een rad, het zijn verschillende
verschijningsvormen van apparaten die het zelfde doel dienden: het
overbruggen van het niveauverschil tussen binnen- en buitenwater.
De overhaal die er nu nog staat, een elektrische schuitenlift, kwam in
1923. Te laat eigenlijk; er was hem maar een kort werkzaam leven
beschoren. Daarvoor zijn drie oorzaken te noemen. In 1926 verlaagden de
Spoorwegen hun vrachttarieven drastisch. Daarnaast had de crisis van de
dertiger jaren rampzalige gevolgen voor de tuinbouw. Tenslotte begon de
provincie Noord-Holland in de dertiger jaren op grote schaal met de
aanleg van wegen. Transport over water behoorde daarmee grotendeels tot
het verleden. De gemeente
Stede Broec is, zoals gezegd, op 1 januari 1979 ontstaan door
samenvoeging van de gemeenten Bovenkarspel en Grootebroek en telt
inmiddels ruim 21.000 inwoners. Stede Broec, een agrarische gemeente Stede Broec is van oudsher een agrarische gemeente. Totdat de Zuiderzee werd afgesloten, werd er ook gevist. De agrarische bedrijvigheid bleef, al is ze vanzelfsprekend door herverkaveling en door veranderde economische inzichten grootschaliger geworden. Er worden vooral bloembollen en tuinbouwproducten geteeld.
Aan het eind van de zeventiger jaren is de polder Het Grootslag -ten noorden van de gemeente- verkaveld. Voordien was dat een vaarpolder: via talloze vaarten, sloten en slootjes vervoerden de tuinders met de karakteristieke groene veldschuiten hun producten van het land naar de veiling. De verkaveling maakte daar een eind aan: de meeste sloten gingen dicht en de polder wordt nu doorsneden door rechte wegen.
Stede Broec hield aan de
verkaveling twee fraaie natuur- en recreatiegebieden over: het Streekbos
en De Weelen. Het Streekbos strekt zich aan beide kanten van de
Veilingweg uit. Een klein deel van het bos is in 1996 opnieuw ingericht
aan de hand van ecologische principes. In De Weelen, een nat gebied ten
noorden van Lutjebroek, is nog goed te zien hoe de polder er uitzag
voordat die werd verkaveld. De Weelen zijn alleen toegankelijk over
water, het makkelijkst vanuit Lutjebroek.
Op 26 juni 1816 kregen de
gemeenten Bovenkarspel en Grootebroek allebei een wapen. Dat van
Bovenkarspel was 'van zilver, waarop een boom van sinopel (smaragdgroen)
en twee sterren van goud'. Grootebroek 'werd bevestigd in het gebruik en
bezit van een wapen' -zoals de officiële formulering luidt-'van lazuur
(hemelsblauw), beladen met een boom van zilver vergezeld van drie
sterren van goud'. Bovendien kreeg het wapen van Grootebroek een kroon
van drie bladeren en twee parels.
Op 16 november 1852 werd
bij Koninklijk Besluit bepaald dat een burgemeester een
onderscheidingsteken moest dragen als hij in het openbaar optrad,
bijvoorbeeld bij ontvangsten, raadsvergaderingen, brand, oproer. Het
moest een zilveren penning aan een ketting of aan een oranje zijden lint
zijn. Op de penning moest het wapen staan of, als er geen wapen was, de
naam van de gemeente.
Bovenstaande tekst is overgenomen uit het boekje
|